Hoofdstuk 4 De zorg voor de kinderen
Hoofdstuk 4 De zorg voor de kinderen

4.1 Opvang van nieuwe leerlingen in de school
In de meeste gevallen zal een nieuwe leerling op “De Koppel” vier jaar oud zijn. De inschrijving wordt gedaan door de directeur, Margreet van der Laan. Tijdens de inschrijving krijgt u van haar alle informatie. Naast de informatie wordt er een rond¬gang door de school gemaakt, om de school “in bedrijf” te zien. Voordat uw kind vier jaar wordt mag het drie dagdelen “meedraaien” in de groep waarin uw kind komt. Zodra de leerling een aantal weken op school zit zal één van de kleuterjuffen een uitgebreid intake- gesprek houden. Dit intake- gesprek heeft tot doel om meer informatie over uw kind te verkrijgen, zodat we in de toekomst wellicht beter op bepaalde situaties kunnen inspelen. Ook heeft u de gelegen¬heid om vragen te stellen over de gang van zaken op school.

4.2 Zorg op maat
Er zijn grote verschillen in begaafdheid, tempo en belangstelling tussen kinderen. Op school trachten wij, waar mogelijk, hiermee rekening te houden. We praten dan over zorg op maat. Wanneer het gaat om zorg-leerlingen dan is er een plan voor zorgverbreding. De zorgverbreding speelt zich af op drie niveaus:
A. Groepsniveau
B. Schoolniveau
C. Schooloverstijgend niveau

A. Groepsniveau
Zelfstandig (ver)werken.
De leerkracht biedt altijd zoveel mogelijk hulp binnen de eigen groep.
Op bepaalde momenten gaan de leerlingen zelfstandig aan het werk. Ofschoon de leerkracht gewoon in de klas is, is hij tijdelijk niet te bereiken. Het zelfstandig werken wordt aangegeven d.m.v. een teken op het bord. Wanneer dit teken hangt, wil de leerkracht niet gestoord worden. De leerling kan d.m.v. een gekleurde dobbelsteen op zijn tafel aangeven of hij een vraag heeft, zelfstandig door kan werken en / of hij een medeleerling wil helpen. Daarnaast werken leerlingen met dag- en weektaken. Op deze momenten heeft de leerkracht de tijd om zich bezig te houden met die leerlingen, die extra aandacht behoeven in een instructiegroep.

(Meer ) begaafde leerlingen
Wanneer het gaat om zorg op maat, dan zijn er ook kinderen die meer aan kunnen dan de gemiddelde leerling. In bepaalde methodes wordt aangegeven wat basisstof en wat verrijkende stof is.

Zo werken (meer)begaafde kinderen uit groep 3 met een moeilijkere versie van de methode voor aanvankelijk lezen. Een kind dat meer aan kan, kan zichzelf, onder begeleiding van de leerkracht, verdiepen in de leerstof.
We beschikken over verschillende uitdagende materialen voor zowel rekenen als taal.

B. Schoolniveau
Op school is een leerkracht aangesteld die zich bezig houdt met de zorg voor leerlingen. Deze leer¬kracht wordt interne begeleider genoemd. De interne begeleider heeft als taak het coördineren, bewaken en ontwikkelen van procedures en afspraken rond de leerlingenzorg. In de praktijk betekent dit het organiseren en coördineren van:
• signaleren (opsporen) van risicoleerlingen
• diagnosticeren (nader onderzoek)
• het eventueel hulp bieden bij het opzetten van een handelingsplan/ groepsplan/ individuele leerlijn
• remediëren (speciale begeleiding)
• evalueren van de effecten van die speciale bege¬leiding

Op teamniveau zijn er afspraken/procedures t.a.v.:
• vroegtijdige signalering van risicoleerlingen
• het hanteren van het leerlingvolgsysteem aan de hand van de toetskalender
• leerlingbesprekingen
• de wijze van aanmelden van zorgleerlingen
• groepsplannen, handelingsplannen en individuele leerlijnen

Contacten met de ouders van kinderen met leer- en ontwikkelingsproblemen:
• uitgangspunt is altijd mondeling contact in een zo vroeg mogelijk stadium
• ouders worden geïnformeerd bij nader diagnostisch onderzoek
• ouders worden tijdig geïnformeerd en waar mogelijk actief betrokken bij speciale leerlingbegeleiding
• ouders worden nader geïnformeerd en geven schriftelijk toestemming indien nader onderzoek door externe deskundigen noodzakelijk is

C. Schooloverstijgend niveau
“De Koppel” maakt deel uit van een Samenwerkingsverband, hierin werken we samen met een school voor Speciaal Basisonderwijs. Doel is om zoveel mogelijk kinderen binnen het gewone onderwijs te houden. We maken gebruik van de deskundigheid die er is binnen het Samenwerkingsverband.


4.3 Cito-leerlingvolgsysteem
Om een duidelijk beeld te krijgen hoe de kinderen zich ontwikkelen en hoe de prestaties zijn, zorgen wij ervoor dat door middel van observatielijsten en toetsen de kinderen op de voet gevolgd worden. Op “De Koppel” hanteren wij het CITO-leerlingvolgsysteem en de “Tempotoets Hoofdrekenen” van Eduforce.

Het toetsen van de kinderen is geen doel op zichzelf. Het heeft alles te maken met een beter zicht op de kwaliteit van ons onderwijs en nog belangrijker: het bewaken van de voortdurende ontwikkeling van uw kind. Aan de hand van de toetsen kan ook bekeken worden wie extra aandacht behoeft.

Tussentoets
De Tussentest is bedoeld voor leerlingen in groep 6. De Tussentest geeft inzicht in hoe leerlingen presteren in relatie tot hun aanleg. De Tussentest is het 'jongere broertje' van de “Drempeltest”. Door gebruik van de Tussentest wordt in een vroeg stadium bekeken of de school het potentieel van de leerling optimaal benut (opbrengstmeting). De Tussentest biedt namelijk inzicht in kennis- en aanlegfactoren, die vervolgens direct in relatie te brengen zijn met de gegevens van uw leerlingvolgsysteem.
Uitgangspunt hierbij is dat, wanneer een leerling of een groep leerlingen gemeten met de Tussentest, qua aanleg (potentie) ónder het landelijk gemiddelde blijkt te zitten, men van de school niet kan verwachten dat de resultaten daar (ver) boven liggen. Op basis van de uitslag van de Tussentest kan een individuele leerlijn of handelingsplan opgesteld worden.

CITO-Entreetoets
Deze toets wordt door groep 7 gemaakt. De toets geeft een duidelijk beeld van de vorderingen op het gebied van rekenen, taal en algemene kennis. De toets geeft aan waar zich nog eventuele hiaten bevinden.

Eindonderzoek groep 8.
De kinderen van groep 8 worden in november getest m.b.v. een toets van het Cedin. Deze “Drempeltest” toetst niet alleen kennis, maar ook zaken als doorzettingsvermogen, nauwkeurigheid, ruimtelijke oriëntatie en zelfbeeld. Het is geen schoolkeuzetest maar een inschatting van niveau. Daarnaast maken de kinderen van groep 8 de Cito-Eindtoets. Dit jaar zal deze toets plaatsvinden op 7, 8 en 9 februari 2012. Zowel de Drempeltest, Cito-Eindtoets, als de Entreetoets helpen school, kinderen en ouders bij de keuze voor een school voor Voortgezet Onderwijs. Die toetsen zijn niet doorslaggevend of zaligmakend. We gebruiken deze toetsen ook als eindmeting van het LeerlingVolgSysteem van het Cito. Vaak zie je door de jaren heen een stijgende lijn, de lijn die aangeeft dat het kind leert. Meestal correspondeert deze lijn ook met de score op de Cito-Eindtoets. Maar de score is natuurlijk niet genoeg, daarnaast is de werkhouding van groot belang. In ons advies wordt alles meegenomen. De scholen voor Voortgezet Onderwijs hechten in het algemeen meer waarde aan een goed onderbouwd advies van de basisschool.

Met de kwaliteit van onderwijs worden vaak de resultaten bedoeld. Hoe meer kinderen naar de HAVO of het VWO gaan, hoe beter de school. Als alleen deze gegevens doorslaggevend zouden zijn, betekent dat een enorme verarming van ons onderwijs.
“De Koppel” wil geen leerfabriek zijn, waarin slechts kennis en vaardigheden worden overgedragen. Begeleiding bij de persoonlijke ontwikkeling vinden we tevens belangrijk.
Hierbij houden we er rekening mee dat ieder kind uniek is en z’n eigen mogelijkheden heeft.

Beleid ten aanzien van zittenblijven en een groep overslaan.
In de schoolloopbaan van uw kind streven we naar een ononderbroken ontwikkeling. Toch kan het voorkomen dat we in overleg met de ouders besluiten dat een kind een jaar moet overdoen.
In principe kan dit tot en met groep 4. Bij kleuters komt het voor dat een kind nog te jong, te speels is en het beter is dat ze nog een jaar ‘kleuteren‘.
Het kan ook zijn dat een kind laag scoort op de toetsen van het leerlingvolgsysteem.
Vanaf groep 1 wordt er gewerkt met groeps- en handelingsplannen. Om problemen duidelijk in kaart te brengen nemen we een Pedagogisch Didactisch Onderzoek af (PDO).

Aan de hand van dit PDO bespreken we met de ouders wat de beste leerlijn voor het kind is. In de groepen 3 en 4 zijn vaak leerproblemen aanleiding om te overwegen het kind nog een extra jaar te gunnen om de leerstof te leren beheersen. Wij hanteren de harde eis dat een kind, voordat hij doorgaat naar groep 4 minimaal, leest op het niveau M3 van de AVI (leestoets). Deze eis stellen wij omdat wij in de loop van de jaren gemerkt hebben dat de meeste kinderen die dit leesniveau niet beheersen onherroepelijk onderuit gaan in groep 4.

NB: Een jaar overdoen betekent niet dat alle leerstof voor de tweede keer gedaan moet worden!

Een groep overslaan kan ook en in principe tot en met groep 4.
Uitgangspunten hierbij zijn:

a. Groep 1/2:
• Het kind presteert op Cito A-niveau
• Het heeft een taalgebruik boven het leeftijdsniveau
• Sociaal-emotioneel en leerhouding is sterk.
• Er is een goed overleg met de ouders over het versnellen van het kind geweest.

b. Groep 3/4:
• Het kind kan veel meer en veel moeilijker stof aan en is in staat om die stof met weinig hulp te kunnen verwerken.
• De resultaten van het leerlingvolgsysteem moeten een indicatie zijn.

4.5 Weer Samen Naar School
Wanneer, ondanks extra aandacht, een kind eventueel in aanmerking komt voor een school voor Speciaal Basisonderwijs, dan kan in overleg met de ouders een onderzoek worden aangevraagd bij het Samenwerkingsverband. Een orthopedagoog verricht dan nader onderzoek. Wanneer alle betrokkenen van mening zijn dat een vorm van Speciaal Basisonderwijs tot de mogelijkheden gaat behoren, dan kan een kind na overleg met de ouders, middels een onderwijskundig rapport (ingevuld door de leerkracht en/of interne begeleider) aangemeld worden bij de PCL (Permanente Commissie Leerlingenzorg). Deze commissie beslist uiteindelijk over plaatsing of draagt andere alternatieve ideeën aan. Zoals bijvoorbeeld Ambulante begeleiding.

Natuurlijk heeft een onderzoek lang niet altijd het doel om een plekje op het SBO te krijgen. Voor ons als leerkrachten is het vaak heel prettig om te weten op welke manier ons handelen het beste aan het kind aangepast kan worden. Een onderzoek kan dan de juiste handvatten geven. We zullen nooit zomaar een onderzoek aanvragen. Voordat er een aanvraag gedaan wordt, is er al een heel traject doorlopen.
Bij het WSNS-project is het streven dat kinderen die uitvallen op de basisschool zo te ondersteunen dat ze niet verwezen hoeven te worden naar een school voor Speciaal Onderwijs, maar kunnen blijven op hun eigen vertrouwde basisschool. We werken daarin samen met een aantal andere scholen in de regio en scholen voor Speciaal Onderwijs. Mocht blijken dat de basisschool ondanks extra hulp en onderwijs op maat, niet in staat is een leerling voldoende te kunnen helpen, dan kunnen ouders en school overwegen om over te gaan tot verwijzing naar het Speciaal Onderwijs. Als criterium hiervoor houden wij aan dat er sprake moet zijn van ernstige leerproblemen op meerdere gebieden en we problemen verwachten en / of signaleren op sociaal emotioneel gebied. Er wordt dan een onderbouwde aanvraag ingediend bij de Permanente Commissie Leerlingenzorg. Deze bepaalt of een kind toelaatbaar is. De ouders en de scholen bepalen of het kind ook daadwerkelijk naar het speciaal onderwijs gaat. De S.O. scholen waar wij mee samenwerken zijn:
• Aquamarijn, Leeuwarden
• De Bolder, Franeker

4.6 Leerlinggebonden financiering
Op 1 augustus 2004 werd de ’regeling leerlinggebonden financiering’ ingevoerd. Deze regeling maakt het ouders met een ‘gehandicapt’ kind mogelijk te kiezen voor een basisschool of een school voor Speciaal Onderwijs.
Onder leerlingen met een handicap verstaan we kinderen die:
• slechthorend of doof zijn
• een spraak- en/of taalprobleem hebben
• zeer moeilijk lerend zijn
• zeer moeilijk opvoedbaar zijn
Deze kinderen hebben – nadat hun handicap door de Commissie van Indicatiestelling (dit jaar verandert de naam in Permanente Commissie Leerlingenzorg (PCL)) is vastgesteld – een indicatie en een ‘rugzakje’ met financiële middelen. Deze financiële middelen zijn bijv. voor scholing en ondersteuning van leerkrachten en voor het aanschaffen van extra materiaal. Ouders kunnen er voor kiezen hun ‘gehandicapte’ kind aan te melden bij een school voor Speciaal Onderwijs. In veel gevallen zal dit ook verstandig zijn, maar ouders kunnen ook contact zoeken met een basisschool om te kijken of hun kind daar begeleid kan worden. Een eventuele aanmelding bij onze school kan alleen met een positieve beschikking van de Commissie van Indicatiestelling (wordt PCL). De PCL zal ouders adviseren bij een verzoek tot indicatiestelling en kan helpen met het vinden van een geschikte school.

Onze school is bereid om kinderen met een handicap toe te laten, maar centraal staat dan steeds de vraag of wij voldoende voorwaarden kunnen scheppen om het kind op een verantwoorde wijze op te vangen. Met andere woorden kan onze school het kind wel de gewenste zorg bieden? Om bij deze vragen tot een verantwoorde beslissing te komen, heeft onze school de volgende procedure vastgesteld:

• een oriënterend gesprek met de ouder(s)
• een gesprek tussen intern begeleider, de groepsleerkracht (eventueel de remedial teacher) waarbij informatie over de leerling wordt verzameld en bestudeerd
• inventariseren van de mogelijkheden en onmogelijkheden van de school bij het begeleiden van deze leerling
• het horen van het team
• overleg intern begeleider en directeur
• het nemen van een besluit door directie en bestuur
• het schriftelijk melden van het besluit aan de ouder(s)

Ouders kunnen bij een negatief besluit van de school bezwaar aantekenen bij het bestuur. Over het bovengenoemde heeft het team onderbouwde afspraken gemaakt.

De procedure is vastgelegd in het beleidsstuk ‘LeerlingGebonden Financiering’, dat op school ook voor ouders ter inzage ligt.
Hebt u na het lezen van deze informatie nog vragen dan kunt u contact opnemen met de directeur of de intern begeleider van onze school. Meer informatie over het rugzakje kunt u onder andere vinden op het internet bij www.postbus.51.nl (brochure ’Met de rugzak naar school’) .

4.7 Passend Onderwijs
Het is de bedoeling dat we richting 2013 naar Passend Onderwijs gaan. Bij de vernieuwing van de zorgstructuur staat de zorgplicht centraal.
De scholen en besturen krijgen de verantwoordelijkheid om voor alle leerlingen (ongeacht hun beperking) een passend onderwijsaanbod te realiseren. Wanneer een school dit aanbod niet (volledig) zelf kan verzorgen, moet zij dit in overleg met andere scholen/besturen realiseren. Hierbij wordt de positie van ouders versterkt, als individu en collectief. Er wordt dan met name met ‘Handelingsgericht werken’ gewerkt. Handelingsgericht werken en begeleiden is een manier van werken waarin het groeps- en handelingsplan centraal staat. De interne begeleider heeft samen met de groepsleerkracht een centrale rol in het zoveel mogelijk preventief regelen van de zorg voor leerlingen met ontwikkelingsproblemen. Ook degenen die de leerkracht ondersteunen met diagnostiek of (ambulante) begeleiding zullen hun advisering afstemmen op het handelen van de leerkracht.

4.8 Schoolarts
Uw kind en de Jeugdgezondheidszorg
De Jeugdgezondheidszorg volgt de gezondheid en ontwikkeling van kinderen van 0-19 jaar. De GGD is partner binnen het Centrum voor Jeugd en Gezin. De schoolarts stelt zich ten doel: ”Het begeleiden van de groei en ontwikkeling en het zo vroeg mogelijk signaleren van stoornissen in de ontwikkeling.” Het werk van de schoolarts is een vervolg op de Jeugdgezondheidszorg van 0 tot 4 jaar door de consultatiebureaus van de kruisvereniging. Alle kinderen ontvangen op 5-jarige leeftijd en in groep 7 een uitnodiging voor een gezondheidsonderzoek door de doktersassistent, arts of verpleegkundige. Voorafgaand aan het onderzoek ontvangen de ouders/verzorgers een vragenlijst.

5-jarige kinderen
Dit onderzoek bestaat uit een uitgebreid lichamelijk onderzoek en een gesprek over opvoeding, gedrag en gezondheid, zoals groei, motoriek, spraak en taal.

Groep 7
Dit is een onderzoek van de lichamelijke groei en een gesprek over opvoeding, gedrag en sociale ontwikkeling.

Ouders, kinderen of de school (in overleg met ouders) kunnen bij vragen of zorgen altijd terecht bij deJeugdgezondheidszorg voor een extra onderzoek of gesprek. U kunt zelf contact opnemen met de jeugdarts of –verpleegkundige van GGD Fryslân Jeugdgezondheidszorg via 088 22 99 444.


4.9 Centrum voor jeugd en gezin.
In 2010 is voor de vier Middelseegemeenten het Centrum voor jeugd en gezin geopend (CJG). Het CJG is een samenwerkingsverband tussen basisscholen,kinderopvang, peuterspeelzalen, jongerenwerk, welzijnswerk, maatschappelijk werk enz. Door deze samenwerking is er veel kennis aanwezig. Heeft u als ouder/verzorger vragen over opgroeien en opvoeden in de ruime zin van het woord, dan kunt u terecht bij het coördinatiepunt: info@cjgmiddelsee.nl Telefoon 058 2348434. Mevr. Annelien Ellerman, de coördinator, neemt dan zo snel mogelijk contact met u op. Natuurlijk kunt u uw vraag ook stellen aan de professional waarmee u al contact hebt (leerkracht, intern begeleider of orthopedagoog). Zij kunnen de vraag dan doorspelen of, als dat praktischer is, u meteen op de mogelijkheden wijzen. Het CJG is er voor iedereen en is gratis. Uw gegevens worden zonder uw toestemming niet aan andere organisaties gegeven.

Schoolmaatschappelijkwerk.
Sinds 2010 bestaat er voor ouders de mogelijkheid om gebruik te maken van schoolmaatschappelijk werk. Onze gemeente subsidieert dit.

Wat doet een schoolmaatschappelijkwerker (ster)?
• Informatie, advies en begeleiding geven
• De oorzaken van een probleem zoeken en bijdragen aan het zoeken van een oplossing
• Kortdurende psychosociale hulpverlening

Wanneer kunt u het schoolmaatschappelijkwerk inschakelen?
Als het thuis of op school om wat voor reden dan ook, niet goed gaat met uw kind, kan er een beroep worden gedaan op het schoolmaatschappelijk werk. Enkele voorbeelden daarvan zijn:
• Pesten of gepest worden
• Agressiviteit of hyperactiviteit
• Geen contact willen of verlegen zijn
• Scheidingsproblematiek
• Driftbuien of ruzie maken
• Niet willen luisteren

Hoe werkt het schoolmaatschappelijkwerk?
De hulpverlening van de schoolmaatschappelijkwerkster is kortdurend. Soms is een oriënterend gesprek voldoende maar soms zijn er meer gesprekken nodig. Deze gesprekken vinden plaats op school. Oudergesprekken kunnen thuis plaats vinden. U kunt uw kind aanmelden via de Intern Begeleider(ster) van uw school. Deze neemt dan contact op met de schoolmaatschap-pelijkwerker (ster). Samen wordt dan gekeken naar de vervolgstappen. Daarnaast is het mogelijk dat u zelf contact opneemt om uw kind aan te melden. Meer weten of een afspraak maken?
Bereikbaar op telefoonnummer: 0518- 418283 (via het CJG kan ook).
Mevr. Hanneke Roelofsen en mevr. Hermine Rütter.